Klaas Touwen over roeping
Op zondag 27 september 2026 nam ds Klaas Touwen afscheid van de Oudekerkgemeenschap. Klaas heeft zich de afgelopen drie jaar met veel energie ingezet voor de uitvoering van ons project ‘Nieuwe wegen naar een oude bron’. Tegelijk met dit afscheid ging hij ook met emeritaat. Tijdens de kerkdienst preekte hij over Roeping.
“Lieve gemeente,
Deze zondag waarop ik mijn werk neerleg, spreekt Jezus van roeping.
Iemand had twee kinderen – dat is juist vertaald – ; de Nieuwe Bijbelvertaling heeft daar – tegen alle afspraken in – ‘zonen’ staan, maar het zijn in Jezus’ woorden toch echt kinderen, een zoon en een dochter, en die worden geroepen om vandaag in de wijngaard te werken. De een zegt ‘nee’, dus wordt de ander gevraagd en die zegt altijd ‘ja’.
Van mij had die vader niet meteen genoegen hoeven nemen, met dat antwoord van die eerste: Nee, ik wil niet! Gaat dat hier altijd zo? Zwicht die vader altijd zo gemakkelijk: opvoeden met de minste weerstand. Die tweede is dus altijd de sjaak.
Aan het eind van het liedje is er toch één die in de wijngaard aan het wieden of aan het snoeien is, maar het is de ander dan wie die vader denkt. Die vader heeft nog steeds de smoor in over de eerste en koestert warme gevoelen voor de tweede, maar de eerste heeft zich bedacht en doet het toch en de tweede heeft de boel laten versloffen. Is het ooit uitgekomen? Het werk is gedaan, maar weet de vader wel door wie? En hoe belangrijk is dat?
***
Degene die ja zegt, is natuurlijk Adam. Het Genesisboek wijdt er een heel hoofdstuk aan: dat hij ‘ja’ zegt tegen het leven, alle dieren een naam geeft, en dankbaar en gretig Eva in zijn armen neemt. Maar daarna horen we nog maar weinig van hem, hij geeft niet thuis, verstopt zich in de bosjes, verschuilt zich achter zijn vrouw, neemt geen enkele verantwoordelijkheid. Hij zegt wel ‘ja’, met Nietzsche: Das Leben bejahen, maar maakt er niets van.
Hij zei toch al niet veel – een man – Adam was niet welbespraakt, het enige dat hij nog doet, is een hommage brengen aan zijn vrouw. Hij noemt haar ‘Eva’, dat betekent: Leven, dus moeder van alle levenden.Daarna doet hij er het zwijgen toe, zijn verdere leven lang.
Eva daarentegen, zij komt nee-zeggend het verhaal binnen. Zij ontkent wat de slang zegt over het eten van die verboden vrucht, nee, het is net anders, dat is haar eerste zin. Daarmee praat ze ongeweten zichzelf toe naar dat eten van die boom, ze tuint er met open ogen in, in de valstrik haar gespannen. Zo gaat zij in tegen Gods gebod, speelt onder één hoedje met de slang en als God hen ter verantwoording roept, schuift zij de schuld door naar die lispelende en kronkelende personificatie van het kwaad
Adam en Eva zijn geen grote zondaars, ze rebelleren niet tegen God, ze muiten niet, staan niet tegen Hem op, deden ze dat maar! Nee, ze laten de beslissing aan de slang. Die heeft het gedaan, ze laten hem begaan, leggen hem geen strobreed in de weg.
Maar dan: Eva rehabiliteert zich. Terwijl Adam zwijgt, spreekt zij zich uit op de beslissende momenten, bij de geboorte van haar kinderen, zij geeft betekenis aan hun namen. Zij laat de geschiedenis doorgaan.
Iemand had twee kinderen, de één zei ja, maar er kwam niets meer uit zijn handen. De ander zei nee, maar door crises heen gaf zij stem aan Gods genade, leerde haar kinderen hun moedertaal en zorgde ervoor dat er voor hen een toekomst openging.
Wie van die twee heeft de wil van God de Vader gedaan?
***
Ik deed een klein onderzoek. Er blijken in Nederland zo’n tien kerkgebouwen ‘De Wijngaard’ te heten. Het zijn even zoveel voorbeelden van de verkerkelijking van het evangelie, misverstanden in hout en steen.
Nee, het gaat in het evangelie niet over de kerk. Die wijngaard is de wereld, de samenleving, de aarde en al wat daarop leeft. En jouw roeping betreft de wereld, de samenleving, de aarde.
Roeping is ook al zo’n verkerkelijkt begrip. Zo wordt over roeping gedacht: een zendingsarts heeft roeping, een dominee of een verpleegkundige, die hebben een roepstem uit de hemel gehoord.
Martin Luther heeft met die mystificaties korte metten gemaakt door in 1522 – de Reformatie was al een paar jaar onderweg – het woord ‘roeping’ consequent te verbinden met ‘beroep’, je plaats in de samenleving. Voor hem zijn roeping en beroep één en hetzelfde woord.
Het is luthers om te zeggen: ‘Ik ben priester krachtens mijn doop’. Dat algemeen priesterschap van alle gelovigen neem je op je in de beroepsgroep waarin jij je bevindt, in het vak dat jij uitoefent, in jouw bijdrage aan de samenleving.
De Reformatie heeft dus een eind gemaakt aan het idee van ‘een bijzondere roeping’. Nee, je volgt je roeping in je beroep. Het is je roeping, je bijzondere roeping, dat je schoenpoetser bent, glazenwasser, timmerman, kok, arts, leraar, leerlooier, administrateur, kunstenaar, rechter, winkelier.
Het algemeen priesterschap van alle gelovigen betekent dus niet dat iedereen het voor het zeggen heeft in de liturgie. Voorgaan in de eredienst kun je beter overlaten aan degene wiens beroep dat is. Want het predikantschap is – naar Luthers inzicht – ook maar een beroep, het is niet van een meer bijzondere roeping dan die van bakkersknecht, dat is hoe mijn vader is begonnen.
Luther gebruikt ‘beroep’ en ‘roeping’ dus onderling uitwisselbaar. Wij hebben dat uit elkaar getrokken. Wij spreken van ‘roeping’ als het gaat om hoogstaande, verheven, geestelijke zaken. Wij spreken van ‘beroep’ als het gaat om de profane bezigheden waarmee wij ons brood verdienen.
Maar in beide woorden hoor je de ‘roep’: beroep, roeping. Luther heeft beide woorden bij elkaar gebracht, zodat je sindsdien kun spreken van ‘beroep als roeping’ en ‘roeping als beroep’.
Hij zegt dat het beroep dat een mens uitoefent voor God geen enkel verschil uitmaakt. God heeft ons ambacht niet nodig, het moet de mensen ten goede komen. Je doet het om de mensen te dienen, die vragen erom. Het enige dat God van ons vraagt is geloof, vertrouwen.
Voor het aangezicht van God geldt dus geen enkel beroep als meer dan enig ander aards beroep. Voor Hem zijn alle beroepen gelijk. Het klassieke voorbeeld daarbij is de roeping tot monnik en het beroep van schoenmaker.
Het is verleidelijk om wat de een verricht toch iets hoger aan te slaan dan wat de ander doet.
En zo werd het in die tijd – en ook nog wel – ingeschat: dat de monniken en de mystici gelden als de adel van de lieve christenheid, dat zij geestelijker zouden zijn – de geestelijkheid – ,en wat zij om handen hebben, meer verheven dan het werk van een gewoon christenmens.
Luther had het natuurlijk zelf ook meegemaakt: dat hij door een persoonlijke roeping in het klooster was getreden, maar hij ondervond tenslotte dat de ware verhouding tot God in het geloof bestaat, in bidden, dat is zingen.
Het was niet meteen met de Reformatie van 1517 dat hij roeping en beroep gelijk stelde. Hij moest daar nog vijf jaar over denken, een revolutionaire gedachte. Maar dus in 1522 gebruikte hij het woord ‘roeping’ voor het eerst voor de beroepsgroep waarin jij je bevindt. Dat het vak dat jij uitoefent, niet jouw lot is (van vader op zoon, van moeder op dochter). Dat je de plichten die aan jouw ambacht, bedrijf, professie verbonden zijn, óp je neemt als een opdracht door God zelf aan jou gegeven. Jij staat ervoor.
Niet de monnik is representatief voor de lieve christenheid, maar evenzo de schoenmaker. Niet de dominee en zijn gezin zijn het boegbeeld van de gemeente – ik heb me altijd verzet tegen de pastorie als glazen huis –, maar minstens ook de administrateur, de bankier, de belegger, de aandeelhouder. Want daar – bij rente en woeker (het voorbeeld is van Luther zelf) – daar komt het erop aan dat ‘beroep’ en ‘roeping’ in één persoon samengaan en je je laat gezeggen door het kruis dat ieder beroep met zich meebrengt.
Ons dagelijks werk is onze roeping, en daarin kan het werk van een dominee soms heel wereldlijk zijn – ik spreek uit eigen ervaring – en het werk van postbode heel geestelijk.
Maar niet dat onderscheid doet er toe, van geestelijk en wereldlijk, maar of je jezelf geeft. Ons werk maakt deel uit van Gods werk. Dat maakt ons bescheiden en ootmoedig. Wij zij betrokken in machtiger dingen dan wijzelf zijn.
En wat het beroep van dominee betreft, ja, ook dat is een ambacht, een beroep, waarin ik priester ben krachtens mijn doop. Meer heb ik niet bij te zetten. Ook niet een meer bijzondere verhouding tot God dan de buschauffeur.
Daarom is het zo belangrijk om naar elkaar te luisteren, want ieder mens is een verhaal waarin God en mens figureren.
De stem die ons roept, klinkt midden in het leven, daar waar wij nodig zijn, daar waar alleen doordat jíj het doet, je verschil kunt uitmaken.
***
Het evangelie van vandaag is het evangelie van de bedenktijd. Wat jou te doen staat, je laat het in je omgaan, je overweegt je doen en laten.
Het evangelie beschrijft die ruimte tussen ja en nee, tussen nee en ja, de ruimte van de jaknikker, de conformist, de jabroer, en de ruimte van de onwillige, de weigeraar, die het vertikt.
Menigeen heeft er ervaring mee dat bedenktijd niet oneindig duurt. Soms ben je te laat. Bij nader inzien had je het Gebot der Stunde willen gehoorzamen, maar je hebt de kans verspeeld, de tijd is verstreken.
Niet de mondelinge instemming geldt maar de daadwerkelijke beaming. Niet wat je zegt en belijdt, maar wat je hebt aangericht.
Er zijn meer mogelijkheden dan Jezus vertelt: ‘nee’ zeggen en daarbij blijven, maar ook ‘ja’ zeggen en ‘ja’ doen, van harte!
Hierin ligt het gezag van de Messias, dat Hij het vleesgeworden ‘Ja’ van God is, dat Hij zegt wat Hij doet en doet wat Hij zegt!
De gelijkenis gunt het laatste woord aan het berouw, dat je terugkomt van je eerste impuls, En ook al ben je te laat – soms is dat zo – jij blijft in staat om bij te dragen aan de betrouwbaarheid van de wereld, in de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.”
